Afdrukken

Kerk- en Kapel; Kerkboekje In en Om.


Het Avezaathse kerkboekje In en Om van september 2020 kunt u lezen door hierboven te klikken op de titel.

Het boekje begint traditiegetrouw met de Binnenkomer van ds. Everdien Hagen. Lees haar verhaal hieronder. Eronder staat het verhaal van 'De oude visscher', wellicht voor u ook leuk om te lezen.

.

Welkom in de kapel

Deze zomer waren we op vakantie vanuit onze achtertuin met af en toe een dagje weg. We hebben veel gewandeld. Ook in Noord-Brabant, helemaal niet zo ver bij ons vandaan. Prachtige natuur. Zomaar in het hoge gras een ree die blijft staan en kijkt alsof die wandelaars erbij horen. Regen op de bladeren die als een grote paraplu boven ons zijn. Een snelstromend beekje en een libelle met vier vleugels, nachtblauw. Twee keer in een flits een kleurrijk ijsvogeltje. Krekels, zon en stilte. En daar onder heel hoge oude eikenbomen, een put en een wit kapelletje.

Het verhaal doet de ronde, dat er eens een eenvoudige boerenzoon was, die op een dag in een riviertje een Mariabeeld vond. Een mooi houten beeldje, dat, o wonder, niet stroomafwaarts, maar stroomopwaarts dreef! Voorzichtig haalde hij het op uit het water en plaatste het in een eikenboom, die daar precies een goede holte voor had. Er kwam een voorbijganger langs. Die zag dat beeldje en dacht: dat hoort hier niet! Dat moet naar de Grote Kerk in Oirschot. En hij bracht het beeldje naar de pastoor aldaar. Maar, ziet en kijkt, Maria had andere plannen, en het beeldje keerde terug in de eik, die sindsdien de Heilige Eik mag heten.

Zo gaat dat vaak met Maria. Ze wordt gezien en ontdekt door eenvoudige mensen. Tegen de stroom in. En wat de officiële kerk ook doet om haar binnen de muren te krijgen, zij blijft bereikbaar voor kleine mensen, met hun kleine en grote zorgen, voor kleine en grote troost. Vaak denken protestanten: kaarsjes branden en zeker bij Maria is niks voor ons.

Maar Maria is in de kerkgeschiedenis juist degene die Jezus ook weer dichter bij de mensen bracht. Toen in de loop van de kerkgeschiedenis de Kerk Jezus steeds hogerop de hemel in trok, dichtbij God de Vader, dichtbij de kerkelijke hooggeplaatsten, ver weg van de gewone mensen, toen kwam er een tegenbeweging op gang. Gewone mensen zochten Maria en zij vond hen. Want, zeg nu zelf, welke zoon kan zijn moeder iets weigeren? Dan toch zeker niet deze Zoon? Zo werd Maria het oor voor de kleine en grote vragen van gewone mensen. En zij vertelde het door aan Jezus. Zo werd ook Jezus weer bereikbaar voor kleine mensen, ook zonder priester of pastoor. Net als later Luther in de tijd van de reformatie mensen de bijbel zou schenken en het gebed als directe toegang tot de liefde van Jezus. Als de kerk om wat voor reden ook minder toegankelijk wordt, dan is er altijd een manier waarop mensen God zoeken en God de mensen vindt.

Zo ook de dag dat wij daar kwamen aanlopen. Twee mensen van eind zestig. Een vader en een moeder die hun oudste zoon na vier maanden ziekte hadden moeten zien gaan. Toch waren ze nu weer hier, bij Maria...Hun vertrouwen was blijkbaar niet geschaad…want, zo zei zij, in onvervalst Brabants: ”As d’n dood ermee gemoeid is…Dat treft ons allemaal. Of ge jong zijt, of oud, of arm of rijk….as d’n dood ermee gemoeid is..” We lieten de stilte rond de kapel opnemen wat onuitgesproken bleef. Toen praatten we door over andere zorgen: de toename van criminaliteit waardoor ook kerken en kapellen niet meer zomaar open kunnen zijn. Daarna fietsen ze weg, nog even naar hun schoondochter, die nu zo alleen is. En hij roept achterom: ”Bid maor ’n bietjen…….”

Opeens wordt de stilte verscheurd door een zware motor. Daar zul je het hebben, denk ik, de criminaliteit gaat ook deze kapel niet voorbij…. De motor wordt vlak voor de kapel geparkeerd en een grote, breedgeschouderde vent, geheel in het zwart, kijkt niet op of om en snelt de kapel in. Ook hij steekt een kaarsje aan en gaat zitten op de smalle bankjes van de kapel en laat zijn hoofd zakken in een gebed.

Ik schaam me voor mijn vooroordeel ingegeven door angst. De Heilige Eik is een plaats waar álle mensen even bij zichzelf kunnen zijn, om God te zoeken en troost en moed te vinden.

Er staat een lied in het liedboek en dat heeft het weer uit de bijbel, uit psalm 72. ‘Voor kleine mensen is Hij bereikbaar’. Juist in deze onzekere tijd van corona en allerlei onrust in de wereld voelen we ons allemaal klein. Overvallen door iets wat groter is dan onszelf. Juist daarom hebben we in deze tijd ook onze Agatha Capel opengesteld. Helaas niet alle dagen, zoals de Heilige Eik. Maar wel af en toe. Om stil te zijn, te bidden, jezelf en God te vinden. Veel mensen zijn er al even binnen gelopen. Welkom!

http://www.tussenlekenlinge.nl/images/kopfotos/hagen.png.

Ds. Everdien Hagen

.

.

.

.

.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De oude Visscher

Juweeltje van Johan van Ooijen

Op de rommelmarkt Avezaaths Allerlei van juni 2017 liep mij een schrift met harde kaft met daarop het opschrift Schryfboek in de vingers. Het bleek een "juweeltje" te zijn. De inhoud bestaat uit twee in prachtig schoonschrift (met kroontjespen?) geschreven verhalen.

Op de eerste bladzij staat: ‘Dit schrift behoort van H.C. Schönlau, 27 mei 1882’ ‘Toewijdende aan de Genade van Jezus Christus’ ‘Niets in mij Alles in Hem Dan komt men, in Jeruzalem’.

Door zoekwerk op internet kwam mederedactielid Sonja van Arkel op het spoor van een zekere Henrietta Cornelia Schönlau, geboren 1837 in Den Haag, getrouwd 7 oktober 1868 met Frederik Hendrik Wewer. In 1882 was genoemde mevrouw dus 45 en het is zeer wel mogelijk dat zij de schrijfster was. Het schrift in kwestie was gekocht bij H.J.T. Matveld, Magazijn van Papier en Karton Teeken en Schilderbehoeften, Den Haag.

.

De inhoud

Het ene verhaal vertelt over Jozef, die (kort samengevat) door zijn broers verkocht wordt aan een karavaan slavenhandelaars en door hen wordt meegenomen naar Egypte. Hij weet daar dromen van de Farao zó goed uit te leggen, dat hij het daarmee ‘schopt’ tot onderkoning. Het verhaal omvat zo'n kleine 70 bladzijden. De tekst volgt wel de geschiedenis zoals in de bijbel omschreven staat, maar de schrijfster (*) heeft er een eigen versie van gemaakt, alles in de vorm van gedichten van 6 tot 8 regels, moodominee in rijmvorm en dat alles in de prachtige taal van einde 19e eeuw.

Het tweede verhaal is korter (circa 15 blz.) en vertelt over een oude, niet- kerkelijke visser, die door een pas aangekomen nieuwe dominee op wonderlijke wijze wordt overgehaald om eens naar een preek te komen luisteren.. Het taalgebruik van toen is exact overgenomen..

De oude Visscher (aflevering 1)
In zeker dorp (het was gelegen In de nabijheid van de zee)
Had men voor 't zielsbelang gekregen
Een zeer godvruchtig dominee
Die door zijn ijverig studeren,
Verhelderd door den Geest des Heeren,
Een schat van kennes had vergaard,
Hij kon bij alle welgezinden,
In huis en hart ras ingang vinden
Door ernst met minzaamheid gepaard.

Het meerendeel der dorpelingen
Ging daag'lijks, om voor 't huisgezin
Het noodig voedsel aan te brengen
Met visscherspinken zeewaarts in,
Om door de netten en de hoeken 't Geschubt gedierte te verkloeken
Dat in het zoete (**) water leeft En dat de Schepper aller dingen
Voor menschen, booze stervelingen Tot voedsel ook verordend heeft.

Maar als de rustdag was verschenen Wiens viering ons Gods wet gebiedt
Dan ging ook ieder kerkwaarts henen Dan dacht men aan het visschen niet.
Dan hoorde men des leeraars rede Gegrond op 's Heeren heilig woord;
En wat hij dan vol geestdrift zeide Aan vromen en goddelozen beide,
Werd met verbazing aangehoord.

Hij bragt door zijn gelovig spreken Verscheidene blinden tot het Licht
En menig, in 't geloof bezweken Werd door zijn woord weer opgericht.
Hen die naar ziel en lichaam leden Gedacht hij steeds in zijn gebeden,
Zoo in zijn huis als in de kerk Door zijn getrouwe ambtsbetrachting
Verwierf hij ieders liefde en achting En God schonk zegen op zijn werk.

Maar ook in deez' gemeente woonde Een visschersman, reeds hoog bejaard,
Die God met woord en daden hoonde,Van alle menschlijkheid ontaard
Voor spijs en drank zijn Schepper te eeren
En 't vieren van den dag des Heeren, Was in zijn oog onzinnigheid.
Gekluisterd aan der zonde keten Wist hij van rede noch geweten;
Nogt 't leven tot in eeuwigheid.
(*) aannemende dat dat de genoemde vrouw was
(**) hoe moeten we het zoete water interpreteren? Zeewater is immers zout?

De oude Visscher deel 2
En zoo het iemand durfde wagen, om uit het dierbaar woord van God,
Hem 't een of ander voor te dragen, de vrucht daarvan was schimp en spot.
Dan voer hij uit in ijslijk vloeken, op 't beste boek van alle boeken;
Zoo doende was er niemand meer, die bij hem ooit gewag dorst maken;
Van God en Goddeljke zaken, alleen uit eerbied voor den Heer.

De leeraar was slechts kortgeleden geplaats in deez' nieuwe kring,
Toen hij reeds rondging bij zijn leden verzeld van eenen ouderling.
Om ieders toestand klaar te ontdekken en vragen ernstig op te wekken.
Of troost te bieden waar men leed.hij dacht ook een bezoek te geven.
Aan d' oude visscher, die zijn leven vervreemd van God en Christen sleet.

Doch de ouderling vond niet geraden, dat aan dit oogmerk werd voldaan
Wilt gij Gods naam niet hooren smaden, sprak hij: laat ons dan verder gaan;
Deez' man is doof voor alle reden laat ons aan hem geen tijd besteden?
Uw ijver zal hier vruchtloos zijn door hem met wijsheid te onderrigten
Zult gij in plaats van nut te stichten slechts paarlen werpen voor de zwijn'.

De leeraar kon geen vrijheid vinden gevolg te geven aan dien raad.
God opent wel 't gezicht der blinden zoo sprak hij - door 't slijk der straat,
Misschien wordt nog mijn nietig pogen versterkt door Zegen uit den hoogen
En zoo aan hem iets groots verrigt en licht het in de raad des Heeren,
Dat wij hier vrucht'loos wederkeeren,'k volbragt dan toch mijn leeraars pligt.

Zij gaan dan binnen met hun beide;
De grijsaard op een ruwe stoel, zit ijvrig aan een net te breiden,
Het paar ontvangt hij bars en koel.
En ziet hen aan met norsche blikken, toch vraagt men hem op zij te schikken
De leeraar vriendelijk en vrij, spreekt als in het vak zeer goed ervaren.
Van net breikunst, van klos en garen, van weer en wind en visscherij.

De oude Visscher (deel 3)
En daar die trant van redeneren den grijsaard wel ter harte gaat
Ziet men al spoedig weder keeren de gulheid op zijn strak gelaat
Al wat men vraagt wil hij verklaren, vertelt van 't zwerven op de baren
Van daden die hij had bedreven die blijken gaven van zijn moed.

En Dominee toont geen verveling, maar doet hem vragen keer op keer
En lokt tot nieuwe mededeling de oude visscher telkens meer
Doch eindelijk moet men toch vertrekken, ofschoon de zaak niet willen rekken
Slechts over aardsche zaken ging de leeraar als door ons bevangen
Niet rept van d'Eeuwige belangen. Zie! Dat bevreemd de ouderling.

En toen men t huis nu zou verlaten sprak d';oude vriendelijk: "Mijnheer,
Gij kunt toch wonder aardig praten. Komt als 't u belieft eens spoedig weer?
Ik spreek zo graag eens van die zaken. De leeraar sprak: "Wie zou dat wraken,
ook ik! Heb ijver voor mijn werk; Dus als gij mij als vriend wil eren
Ei.. komt dan op den dag des Heeren, Mij ook eens horen, in de kerk.

Dit scheen hem wonder voor te komen, hij blijft een weinig zwijgend staan.
Doch spoedig sprak hij zonder schromen:
"Neen! Neen! Mijnheer, dat zal niet gaan"
'k Ging soms ter kerke in vroeger dagen, maar nooit werd daar iets
voorgedragen dat mij bijzonderwel beviel.
Daar werdt van 't viscchen niet gesproken.
Daarom kon 't met mijn zin niet stroken, want visscher ben ik met lijf en ziel.

Beloof ge mij, zoo sprak de Herder, te komen met de neuwe week?
'k Beloof u dan – zo sprak hij verder, dat ik dan van 't visschen preek.
Ge kunt er vijlig staat op maken, ge weet nu dat ik over zaken
van visscherij wel praten kan, ik zal dan ook eens al die dingen heel driftig op
de preekstoel brengen. Welnu, mijn vriend, wat zegt u ervan?

Ik zeg: kan men van het visschen preken, dan kon het niemand zoals gij.
Want nooit hoorde ik een Heerschap spreken die zoveel wist van visscherij.
Ik zal die preek eens komen hooren, maar dit vertel ik je van tevoren:
Dat! Als 't niet uitkomt naar me zin, dan zal ik vlug de kerk verlaten.
En of je dan ook mooi kunt praten, je krijgt me er dan nooit meer in.

De oude Visscher (deel 4)
Nu ging de leeraar huiswaarts keeren, waar hij een stil vertrek betrad.
Daar was 't dat hij den Heer der Heeren, voor deze verstokte zondaar bad.
Dat Hij zijn zegen neer mocht zenden,
op 't geen hij verder aan zou wenden.
En dat uit goedheid zonder peil, het God in Christus mogt behagen.
Die oude aan 't einde zijner dagen te brengen tot het Eeuwig heil.

En toen met de eerste Zondagmorgen het klokgelui en orgelspel.
Den mensch ontlokte aan d 'aardsche zorgen en nodigde om op Gods bevel.
In 's Heeren tempel te vergaren,
toen zag men in de vrome scharen.
Ook d'oude visscher kerkwaarts gaan en voor den preekstoel neer gezeten.
Werd menig blik op hem gesmeten, men zag hem met verwondering aan.

De leeraar had tot tekst genomen hoe Jezus langs den kant.
Der Gallileesche Zee gekomen twee broeders visschen zag aan 't strand.
Die hij beval het werk te staken,
omdat hij plan had hen te maken.
Tot menschen-visschers op dez' aaard,
Waarop zij wilig tot Hem gingen, het Eeuwige was hun meerder waard.

Nu sprak hij in zijn tekstverklaring van bijna niets dan visscherij.
Wat hij door studie en ervaring daar slechts van wist, dat bracht hij bij.
En daar het thans aan kracht van spreken
Zoo min als ooit hem bleek t'ontbreken
Zoo boeit zijn voordracht iedereen, maar d'oude als in zichzelf verloren
Volgt hem met oogen en met ooren, geen woord ontglipt die man, zoo 't scheen.

De oude Visscher (deel 5)
Maar aan het eind, daar wende de spreker zich tot ieders hart.
Hij toont den zondaar zijn ellende, hoe roek'loos hij Gods wrake tart.
En hoe hij na 't hoogmoedig brallen, eens in des Heeren hand zal vallen.
Wiens heil'ge wet hij daag'lijks schond, en dan voor Eeuwig om te komen.
Tenzij hij hier wordt aangenomen, in 't zalig makend vree verbond.

Hij schilderde met sterke woorden, die Eeuwige rampzaligheid.
Maar ook om zulke op te beuren, wijst hij op het kruis van Golgotha.
Waar allen die den Heeren zoeken, hoe hard de wet hen moog vervloeke,
een troostbron vinden van ge^na.

Hoe zit daar d'oude man verwonderd, als deze Boanergens taal*.
Hem krachtig in zijn ooren donderd, geen lust gevoelt hij deeze maal.
Om vóór de tijd de kerk 't ontloopen, hem breekt in 't eind de mond nog open.
Hij zegt: hier hebt ge mij in 't net: De leeraar sprak: 't zij u ten zegen.
Zo ik u heb in t net gekregen, wordt gij door God er uit gered.

En ziet, na 't hooren dezer rede, mist de oude man zijn vroeg're rust.
Hij heeft nu met zichzelf geen vrede.
Maar nog zijns toestand onbewust, kon hij de ware troost niet vinden,
waar hij zich keeren mocht of wenden. Hij draagt zijn kwelling met zich om.
Hij voelt zich eindelijk aangedreven naar leeraars huis zich te begeven.
En deze heet hem "wellekom".

Nu wordt hem d Evangeliewaarheid Eenvoudig, duidelijk uitgelegd;
Dit geeft zijn ziel de echte klaarheid, die zich weldra met vastheid hecht.
Aan 't offer voor Gods gunst genooten; en dit geeft hem allengskens moed,
om met zijn macht van vuile zonden, te schuilen in zijn Heilands wonden;
Zoo voedt hij hoop op 't eeuwig goed.

Hij voelt zijn rust nu weder keeren; maar zoeter ruste dan voorheen!
Het vast getuigenis des Heeren, is 't anker zijner hoop alleen,
daar steunt hij op met vast vertrouwen.
Men hoort hem 's Heeren lof ontvouwen, die in hem stookt een liefdesvlam.
Die hem aan d'afgrond had ontheven, en zeker vollen loon zal geven,
schoon hij met d'elfde ure kwam.

De oude Visscher (deel 6)
Nu was het dierbaar Woord des Heeren, voor zijne ziel een volle bron.
Waar hij nu ware wijsheid leeren en zoete troost verkrijgen kon.
De kerk was nu voor d'oude grijze, de plaats waar hij de rechte spijze
voor zijne grage ziele vindt. De leeraar die zijn hart moght breken,
Is nu meer daar na 't eerste preken des ouden visschers goede vriend.

Nu braakt hij onder 't zee bevaren geen roekelooze vloeken meer,
Maar ziet in d'afgrond van de baren de wonderwerken van den Heer.
En of hij ruim of schraal mag vangen, toch hoort men vaak zijn dankre zangen
weer galmen over 't watervlak, En is hem weinig hier gegeven,
hij slijt den avond van zijn leven tevreden onder 't rieten dak.

Zoo wordt de zondaar heen gedreven naar 't eeuwig heil dat hij veracht,
Zoo wordt hij op de weg ten leven ook tegen zijnen wil gebracht.
Nooit zal hij naar den Heere vragen. Hij slijt gerust zijn levensdagen,
al woelend in het aardsche dal. Tot dat hem God ontrukt aan 't kwade;
dat is de grootheid der genade die nooit volprezen worden zal.

Gij vromen! Brengt den Heer uw hulde, wijdt al uw kracht aan hem alleen.
Die zijn beloften steeds vervulde, hoe duister vaak zijn weg ook scheen.
Die Hij verwonderd heeft te voren, zal Hij zijn roepstem eens doen hooren.
Hen oefenen in zalighed en onbevlekt regtvaardig maken.
En eens hen 't hoogst geluk doen smaken in d' eindelooze heerlijkheid.