• Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
E-mail Afdrukken PDF

Kerk en Kapel; Kerkboekje In en Om 


Het Avezaathse kerkboekje In en Om van september 2019 kunt u lezen door hierbover te klikken op 'Kerk'.

Het boekje begint traditiegetrouw met de Binnenkomer van ds. Everdien Hagen. Lees haar verhaal hieronder.

 

Liefde

De zomervakantie is weer voorbij. We starten met een nieuw seizoen kerkenwerk. Het bezoekwerk van de kerk, de kerkdiensten, het omzien naar elkaar gaat gelukkig gewoon door, ook in de zomer. Ook de Agatha Capel is deze zomer volop gebruikt, voor exposities, het eerste burgerlijk huwelijk en een zangworkshop. Maar de echte bedrijvigheid begint weer vanaf september. Dat is bedrijvigheid voor en achter de schermen, van denkers en doeners, van handen en benen, hoofd en hart van heel veel verschillende mensen.

 

Deze zomer heb ik op verschillende plaatsen gepreekt over Martha en Maria*. Martha, de gastvrije hardwerkende vrouw, die zich de benen uit het lijf loopt, en Maria die op dat moment alleen oor heeft voor Jezus en naar Hem zit te luisteren zonder iets te doen. Martha ergert zich daaraan. Ze voelt zich alleen staan. Ze zegt dit tegen Jezus en vraagt Hem om Maria ook aan het werk te zetten. Dan zegt Jezus twee keer haar naam. Dat is altijd uitgelegd als een standje. Alsof Martha een kind is. Maar ze is een vrouw die doet wat ze moet en kan doen. Gastvrij zijn en zorgen dat alles reilt en zeilt.

Ik vond een uitleg waarin die dubbele naam iets anders betekent: de roeping van Martha. Wakker worden Martha! Voor je het weet loop je tegen een burn-out aan. Houd in alles wat je doet in de gaten waar het om draait. Martha wordt door Jezus behoed voor doenerigheid, voor zichzelf voorbijlopen, voor zichzelf verliezen in ergernis over de ander. Martha wordt uitgenodigd om in alles wat ze doet dichtbij te blijven bij waar het om gaat: het ene in het vele.

 

En wat is dat dan? Dat ene? Deze week was ik op bezoek bij iemand die beseft dat zijn geestelijke vermogens achteruitgaan. Hij is daar verdrietig over, vanzelfsprekend. Maar kan het ook aanvaarden, hoe moeilijk het ook is. Dat vind ik heel bijzonder. Ik vroeg of we uit de bijbel zouden lezen en of er een psalm of zo was die hem moed zou kunnen geven. Dat wist hij niet, maar zei hij: als de liefde maar blijft, dat is het allerbelangrijkste. Dus las ik het stukje uit de bijbel, waar dat letterlijk zo staat*. Wat we ook doen, al is het in Gods naam, hoe bedrijvig of doenerig we ook zijn, al is het met de beste bedoelingen, als we de liefde niet vasthouden in het vele dat we doen, dan stelt het niets voor. Dan slaan we de plank mis. Dan missen we doel. 
 

Nou is liefde een groot woord. In datzelfde bijbelgedeelte kun je lezen dat het soms ook veel kost. Je inhouden, in plaats van meteen iemand de wind van voren geven. Je verplaatsen in een ander in plaats van oordelen. Een ander de ruimte geven en geduld hebben. Ruimte geven aan wat goed is en goed doet, en niet op alle slakken zout leggen. Soms zelfs: jezelf niet verdedigen, maar mensen laten praten, ook al klopt het van geen kanten. Liefde is niet makkelijk en zoetig, liefde is pittig. Het is het zout in de pap, het is de kern waar alles om draait.

 

Maar het allermooiste vind ik, van die liefde, dat die ons al gegeven is. We hoeven hem niet uit te vinden of uit onze tenen te halen. We moeten alleen ons erbij laten bepalen. Wakker worden! Waar gaat het ook alweer om? Om de liefde, die God ons geeft, die we zien in Jezus, die we kunnen zien in elkaar, elk moment, elke dag een heel nieuw seizoen.

 

http://www.tussenlekenlinge.nl/images/kopfotos/hagen.pngDs. Everdien Hagen 

 

 

 

 

 

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De oude Visscher

Juweeltje van Johan van Ooijen

Op de rommelmarkt Avezaaths Allerlei van juni 2017 liep mij een schrift met harde kaft met daarop het opschrift Schryfboek in de vingers. Het bleek een "juweeltje" te zijn. De inhoud bestaat uit twee in prachtig schoonschrift (met kroontjespen?) geschreven verhalen.

Op de eerste bladzij staat: ‘Dit schrift behoort van H.C. Schönlau, 27 mei 1882’ ‘Toewijdende aan de Genade van Jezus Christus’ ‘Niets in mij Alles in Hem Dan komt men, in Jeruzalem’.

 

Door zoekwerk op internet kwam mederedactielid Sonja van Arkel op het spoor van een zekere Henrietta Cornelia Schönlau, geboren 1837 in Den Haag, getrouwd 7 oktober 1868 met Frederik Hendrik Wewer. In 1882 was genoemde mevrouw dus 45 en het is zeer wel mogelijk dat zij de schrijfster was. Het schrift in kwestie was gekocht bij H.J.T. Matveld, Magazijn van Papier en Karton Teeken en Schilderbehoeften, Den Haag.

 

 

De inhoud

 

Het ene verhaal vertelt over Jozef, die (kort samengevat) door zijn broers verkocht wordt aan een karavaan slavenhandelaars en door hen wordt meegenomen naar Egypte. Hij weet daar dromen van de Farao zó goed uit te leggen, dat hij het daarmee ‘schopt’ tot onderkoning.

Het verhaal omvat zo'n kleine 70 bladzijden. De tekst volgt wel de geschiedenis zoals in de bijbel omschreven staat, maar de schrijfster (*) heeft er een eigen versie van gemaakt, alles in de vorm van gedichten van 6 tot 8 regels, moodominee in rijmvorm en dat alles in de prachtige taal van einde 19e eeuw.

 

Het tweede verhaal is korter (circa 15 blz.) en vertelt over een oude, niet- kerkelijke visser, die door een pas aangekomen nieuwe dominee op wonderlijke wijze wordt overgehaald om eens naar een preek te komen luisteren. Om een indruk te geven hieronder een stukje van het begin. Het taalgebruik van toen is exact overgenomen.

 

De oude Visscher deel 1

In zeker dorp (het was gelegen In de nabijheid van de zee)

Had men voor 't zielsbelang gekregen

Een zeer godvruchtig dominee

Die door zijn ijverig studeren,

Verhelderd door den Geest des Heeren,

Een schat van kennes had vergaard,

Hij kon bij alle welgezinden,

In huis en hart ras ingang vinden

Door ernst met minzaamheid gepaard.

 

Het meerendeel der dorpelingen

Ging daag'lijks, om voor 't huisgezin

Het noodig voedsel aan te brengen

Met visscherspinken zeewaarts in,

Om door de netten en de hoeken 't Geschubt gedierte te verkloeken

Dat in het zoete (**) water leeft En dat de Schepper aller dingen

Voor menschen, booze stervelingen Tot voedsel ook verordend heeft.

 

Maar als de rustdag was verschenen Wiens viering ons Gods wet gebiedt

Dan ging ook ieder kerkwaarts henen Dan dacht men aan het visschen niet.

Dan hoorde men des leeraars rede Gegrond op 's Heeren heilig woord;

En wat hij dan vol geestdrift zeide Aan vromen en goddelozen beide,

Werd met verbazing aangehoord.

 

Hij bragt door zijn gelovig spreken Verscheidene blinden tot het Licht

En menig, in 't geloof bezweken Werd door zijn woord weer opgericht.

Hen die naar ziel en lichaam leden Gedacht hij steeds in zijn gebeden,

Zoo in zijn huis als in de kerk Door zijn getrouwe ambtsbetrachting

Verwierf hij ieders liefde en achting En God schonk zegen op zijn werk.

 

Maar ook in deez' gemeente woonde Een visschersman, reeds hoog bejaard,

Die God met woord en daden hoonde,Van alle menschlijkheid ontaard

Voor spijs en drank zijn Schepper te eeren

En 't vieren van den dag des Heeren, Was in zijn oog onzinnigheid.

Gekluisterd aan der zonde keten Wist hij van rede noch geweten;

Nogt 't leven tot in eeuwigheid.

(*) aannemende dat dat de genoemde vrouw was

(**) hoe moeten we het zoete water interpreteren? Zeewater is immers zout?

 

De oude Visscher deel 2

En zoo het iemand durfde wagen, om uit het dierbaar woord van God,

Hem 't een of ander voor te dragen, de vrucht daarvan was schimp en spot.

Dan voer hij uit in ijslijk vloeken, op 't beste boek van alle boeken;

Zoo doende was er niemand meer, die bij hem ooit gewag dorst maken;

Van God en Goddeljke zaken, alleen uit eerbied voor den Heer.

 

De leeraar was slechts kortgeleden geplaats in deez' nieuwe kring,

Toen hij reeds rondging bij zijn leden verzeld van eenen ouderling.

Om ieders toestand klaar te ontdekken en vragen ernstig op te wekken.

Of troost te bieden waar men leed.hij dacht ook een bezoek te geven.

Aan d' oude visscher, die zijn leven vervreemd van God en Christen sleet.

 

Doch de ouderling vond niet geraden, dat aan dit oogmerk werd voldaan

Wilt gij Gods naam niet hooren smaden, sprak hij: laat ons dan verder gaan;

Deez' man is doof voor alle reden laat ons aan hem geen tijd besteden?

Uw ijver zal hier vruchtloos zijn door hem met wijsheid te onderrigten

Zult gij in plaats van nut te stichten slechts paarlen werpen voor de zwijn'.

 

De leeraar kon geen vrijheid vinden gevolg te geven aan dien raad.

God opent wel 't gezicht der blinden zoo sprak hij - door 't slijk der straat,

Misschien wordt nog mijn nietig pogen versterkt door Zegen uit den hoogen

En zoo aan hem iets groots verrigt en licht het in de raad des Heeren,

Dat wij hier vrucht'loos wederkeeren,'k volbragt dan toch mijn leeraars pligt.

 

Zij gaan dan binnen met hun beide;

De grijsaard op een ruwe stoel, zit ijvrig aan een net te breiden,

Het paar ontvangt hij bars en koel.

En ziet hen aan met norsche blikken, toch vraagt men hem op zij te schikken

De leeraar vriendelijk en vrij, spreekt als in het vak zeer goed ervaren.

Van net breikunst, van klos en garen, van weer en wind en visscherij.

 

De oude Visscher deel 3

En daar die trant van redeneren den grijsaard wel ter harte gaat

Ziet men al spoedig weder keeren de gulheid op zijn strak gelaat

Al wat men vraagt wil hij verklaren, vertelt van ‘t zwerven op de baren

Van daden die hij had bedreven die blijken gaven van zijn moed.

 

En Dominee toont geen verveling, maar doet hem vragen keer op keer

En lokt tot nieuwe mededeling de oude visscher telkens meer

Doch eindelijk moet men toch vertrekken, ofschoon de zaak niet willen rekken

Slechts over aardsche zaken ging de leeraar als door ons bevangen

Niet rept van d’Eeuwige belangen. Zie! Dat bevreemd de ouderling.

 

En toen men t huis nu zou verlaten sprak d’;oude vriendelijk: “Mijnheer,

Gij kunt toch wonder aardig praten. Komt als ‘t u belieft eens spoedig weer?

Ik spreek zo graag eens van die zaken. De leeraar sprak: “Wie zou dat wraken,

ook ik! Heb ijver voor mijn werk; Dus als gij mij als vriend wil eren

Ei.. komt dan op den dag des Heeren, Mij ook eens horen, in de kerk.

 

Dit scheen hem wonder voor te komen, hij blijft een weinig zwijgend staan.

Doch spoedig sprak hij zonder schromen:

“Neen! Neen! Mijnheer, dat zal niet gaan”

‘k Ging soms ter kerke in vroeger dagen, maar nooit werd daar iets

voorgedragen dat mij bijzonderwel beviel.

Daar werdt van ‘t viscchen niet gesproken.

Daarom kon ‘t met mijn zin niet stroken, want visscher ben ik met lijf en ziel.

 

Beloof ge mij, zoo sprak de Herder, te komen met de neuwe week?

‘k Beloof u dan – zo sprak hij verder, dat ik dan van ‘t visschen preek.

Ge kunt er vijlig staat op maken, ge weet nu dat ik over zaken

van visscherij wel praten kan, ik zal dan ook eens al die dingen heel driftig op

de preekstoel brengen. Welnu, mijn vriend, wat zegt u er van?

 

Ik zeg: kan men van het visschen preken, dan kon het niemand zoals gij.

Want nooit hoorde ik een Heerschap spreken die zoveel wist van visscherij.

Ik zal die preek eens komen hooren, maar dit vertel ik je van tevoren:

Dat! Als ‘t niet uitkomt naar me zin, dan zal ik vlug de kerk verlaten.

En of je dan ook mooi kunt praten, je krijgt me er dan nooit meer in.